Deel 5: Bidden is belijden

Welkom terug bij deze podcastserie over bidden. Laat ik je nog even herinneren aan het thema van de vorige keer. Bidden is iets waar je mee moet beginnen. Je moet het doen. Want het helpt echt.
Wat er dan gebeurt en hoe dat dan precies gaat, daarover dit keer wat meer.
Want vraag je jezelf misschien wel af: Ja, maar wat moet ik dan bidden? Ik heb geen mooie woorden, ik weet eigenlijk helemaal niet wat ik moet zeggen.
Moet ik de Heere echt met heel mijn hart smeken om vergeving? Maar als ik dat dan niet kan! Of moet ik de Heere eindeloos vragen, zoals ik trouwens al zo vaak doe: Heere, wilt u me bekeren? Wilt u me een nieuw hart en een nieuw leven geven? Ik kan toch niet 10x, 20x, 100x keer hetzelfde vragen? En gaat er dan wel echt iets gebeuren?

Ik snap je punt. Misschien is dat ook niet helemaal de Bijbelse manier van denken over bidden, over bidden om bekering. Laat ik je een voorbeeld geven. Het voorbeeld van David. Hij schrijft in Psalm 32 over zijn manier van bidden. Over de manier die echt hielp, want God verhoorde hem.
Hij heeft gezondigd, net als jij en ik. Niet anders dus. En wat doet hij? Bidt hij: Heere alstublieft, wilt U het vergeven? Alstublieft, Heere, verander mijn hart? 10, 20x… nog meer, nog vaker, steeds weer hetzelfde?
Nee, hij doet het anders. En dat is ook wat de Heere van jou vraagt. De Heere zegt ergens in de Bijbel: beken uw ongerechtigheid, dat wil zeggen: geef je zonden eerlijk toe en belijd ze voor Mij.

Dat is wat David ook doet. Hij zegt in Psalm 32: Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Dus wat doet die man? Hij gaat naar die plek waar ik het vorige keer over had, hij gaat naar de plek waar Hij in stilte met God kan zijn, en: hij zegt wat hij gedaan heeft.
Niet in algemene termen, zo van: ik ben weer zo zondig geweest, o wat ben ik toch slecht, maar gewoon, eerlijk: Heere, ik heb dit gedaan, ik heb dat gedaan, die zonde, en die zonde, daar en daar, en ik wist dat het fout was, ergens zei er ook een stem van binnen: dat is zonde tegen God, maar ik deed het toch. Het waren allemaal geen vergissingen.

David zegt: ik vertelde mijn zonde tegen God, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Er was geen enkele zonde waar ik een laag zand over strooide. Die ik probeerde kleiner maakte dan hij eigenlijk was. Ik vertelde alles. Echt alles. Eerlijk, goudeerlijk.

Als je zo bid, heb je bij je bidden eigenlijk ook niet zo snel gebrek aan dingen die je tegen God zou kunnen zeggen. Ja, mooie zinnen zijn snel op. Standaardvragen, die kan je ook niet eindeloos herhalen.
Maar je zonden tegen God vertellen, daar ben jij, daar ben ik voorlopig niet mee klaar.
David doet het. Hij vertelt ze allemaal. Tegen God. Hij zegt: Ik zei: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE.
Dus hij belijd al zijn zonde, stil, biddend voor God.
Moet je ook doen. Want dan komt het echt goed.

Want…? Hoe gaat het dan verder? Wat is stap 2? Wat moet je daarna nog meer doen?
Dat is bijzonder. David hoeft maar één ding te doen.
Hij zegt: ik beleed mijn zonde, ik vertelde ze allemaal eerlijk tegen God en toen…? Toen vergaf God ze.
Je leest niet eens dat hij om vergeving gevraagd heeft. God hoort al dat eerlijk vertellen van zijn zonden. En God vergeeft ze.
En ik verzeker je (ook uit eigen ervaring), als jij ook zo je zonden, eerlijk, op een stille plaats tegen God vertelt, als je zo je zondige hart voor Hem (niet zo maar in het luchtledige, maar voor Hem) open legt, dan zeg je later ook: God hoorde me en Hij vergaf me mijn zonden.
Bidden is belijden. En op belijden volgt zeker vergeven. Doen dus.